Prutsen in de polder met een SMR
"Vanaf het jaar 2021 na Christus wordt de hele polder volgeplempt met windturbines en zonneweiden… De hele polder? Nee! Een klein dorp, bewoond door onverzettelijke Westfriesen, blijft dapper weerstand bieden aan de RES."
Bij Asterix & Obelix, waaraan deze openingszin ontleend is, was het een toverdrankje dat de bewoners in staat stelde weerstand te bieden tegen de Romeinen. De gemeente Opmeer dacht hetzelfde te kunnen doen, maar dan met een Small Modular Reactor (SMR) als wondermiddel tegen zonne- en windenergie. Tegen de Regionale Energiestrategie (RES).
Introductie
In september 2025 kwam het nieuws naar buiten dat het plan van de gemeente Opmeer voor een SMR niet doorging, omdat de Amerikaanse leverancier er geen tijd (“bandwidth”) voor had. Het bericht kreeg nauwelijks aandacht, zelfs niet onder energietransitie-strategen en beleidsmakers in de regio. Het mislukken van het plan ging vrijwel geruisloos voorbij. Uit professionele nieuwsgierigheid heb ik het haalbaarheidsonderzoek toch opgezocht en gelezen, en me verdiept in de bestuurlijke stukken hierover, en mij er flink aan geërgerd.
In deze tekst probeer ik mijn observaties en ergernis te ordenen.
Dit is géén tekst over de voor- en nadelen van kernenergie. Evenmin gaat het over de vraag of SMR’s werkelijk het toverdrankje van de energietransitie zijn, of eerder een fata morgana. Deze tekst gaat over hoe een kleine gemeente in de Westfriese polder dacht te kunnen ontsnappen aan regionale bestuurlijke afspraken over de energietransitie, daarbij een onhandige strategie koos en zich met een prutswerk-haalbaarheidsstudie belachelijk maakte.
In essentie gaat dit stuk over het nemen van grote besluiten in de energietransitie en over de inhoudelijke en bestuurlijke zwakte die daarbij soms zichtbaar wordt. Ik zie graag moedige en grote besluiten, maar maak mij zorgen over de vaardigheid van het openbaar bestuur om die besluiten goed te nemen. De casus Opmeer illustreert, en verergert mijn zorg.
Eerst bespreek ik de bevreemdende bestuurlijke besluitvorming, daarna de fouten en onvolledigheden in de haalbaarheidsstudie.
1. Besluitvorming op karige argumenten en gebrek aan kennis
In juni 2021 stelde de gemeenteraad van Opmeer de Regionale Energiestrategie (RES) Noord-Holland Noord unaniem vast. Daarmee committeerde zij zich aan de in de RES vastgelegde doelen voor de opwek van hernieuwbare energie middels zon en wind.
De RES als katalysator voor een kernenergie-obsessie
Bij de vaststelling van de RES werd een motie van twee lokale partijen, Fractie Bosch en DSV, met 4 stemmen voor en 9 tegen verworpen. Die motie riep op om een visie te ontwikkelen over de rol van kernenergie in de regio, samenwerking te zoeken met omliggende gemeenten en de provincie, en kernenergie onderdeel te maken van de RES 2.0.
Hoewel verworpen, laat de motie zien dat kernenergie vanaf het begin aan het RES-dossier verbonden was. Opvallend genoeg is dit ook pas het eerste document in het raadsinformatiesysteem van de gemeente waarin het woord kernenergie voorkomt. Volgens lokale mediaberichten pleitte een lokale partij echter al jaren voor de bouw van een kerncentrale. Het idee leefde dus langer, maar ook na deze motie bleef het politiek ruim twee jaar stil rond het onderwerp.
Pas in december 2023 werd opnieuw een motie over kernenergie ingediend en ditmaal aangenomen met 9 stemmen voor en 6 tegen. Daarin kreeg het college de opdracht om in gesprek te gaan met andere Westfriese gemeenten en partijen om tot een gezamenlijk standpunt en strategie te komen. In deze aangenomen motie zijn al de eerste tekenen zichtbaar van het gebrek aan kennis dat kenmerkend is in het verdere proces. Zo wordt bijvoorbeeld gesteld dat kernenergie in Opmeer een oplossing zou zijn voor netcongestie. Rudimentaire kennis van het energiesysteem had kunnen helpen begrijpen dat grootschalige opwek in een gebied met weinig vraag en grote weerstand tegen energie-infrastructuur bepaald geen voor de hand liggende oplossing voor netcongestie is.
Op naar een SMR
Via een amendement bij de Kadernota 2025-2028 besloot de raad in juli 2024 unaniem om “blijvend in te zetten om kernenergie als optie voor energieopwekking in de regio te verwezenlijken.”
Na opnieuw een half jaar bestuurlijke stilte kwam het college in januari 2025 uit het niets (tenminste wat betreft publiek beschikbare informatie) met de vraag om wensen en bedenkingen bij een intentieovereenkomst met een initiatiefnemer die geïnteresseerd zou zijn in de bouw van een SMR in Opmeer.
Het besluit rept over een initiatiefnemer met wie al meerdere gesprekken gevoerd zouden zijn, maar noemt geen naam. Als geheimhouding nodig was, zou dat begrijpelijk zijn, maar daarvan lijkt geen sprake: er is niets over vermeld en er zijn geen geheime stukken bijgevoegd. Het begrip initiatiefnemer lijkt hier wel erg flexibel en opportunistisch ingezet, als er überhaupt al een serieuze partij was, iets waar ik ernstig aan twijfel gezien de latere ontwikkelingen. En als er geen serieuze initiatiefnemer was, is het kostenverhaal-argument in het raadsvoorstel misleidend, want daarin wordt belooft dat de kosten voor personeel en onderzoek op de initiatiefnemer verhaald worden. In de haalbaarheidsstudie wordt Last Energy genoemd als een bedrijf waarmee gesprekken gevoerd zijn en waarmee een raamovereenkomst denkbaar was. Een gesprek maakt een bedrijf echter nog niet tot initiatiefnemer.
Het college stelt bovendien voor één projectmanager aan te stellen. Dat is een grove onderschatting van de benodigde capaciteit. Een onderschatting die in de latere haalbaarheidsstudie nog meer naar voren komt. Het raadsvoorstel zelf gaat slordig om met feiten en toont weinig inzicht in de complexiteit van ruimtelijke- en vergunningstrajecten. De bijgevoegde, rommelige presentatie Bijpraten over energie en duurzaamheid voegt inhoudelijk niets toe en had beter achterwege kunnen blijven.
Naar aanleiding van dit raadsvoorstel nam de raad in februari 2023 met brede steun een amendement aan (10 voor, 1 tegen). Daarin werden de beleidskaders voor zon en wind buiten toepassing verklaard, waardoor de uitvoering van de RES feitelijk tot stilstand kwam. In de overwegingen klinkt wrok: kernenergie had “ondanks herhaalde oproepen geen betekenisvolle positie verkregen in de RES 1.0.” en werd zelfs gesproken over de mogelijkheid van één of meerdere kerncentrales in Opmeer. Met dit amendement werden lopende plannen, zoals voor een zonneweide, stopgezet wat terecht tot verwijten van onbehoorlijk bestuur leidde.
Daarna bleef het bestuurlijk opnieuw enige tijd stil, tot het tempo plotseling sterk werd opgevoerd. Absurd opgevoerd zelfs: Op 4 september 2025 stelde het college een bestuursopdracht vast om een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar een SMR in Opmeer. De haalbaarheidsstudie zelf is gedateerd op 9 september 2025, en de presentatie aan de gemeenteraad volgde al op 18 september 2025.
Een week tussen het opleveren van een studie en de presentatie daarvan is kort maar geloofwaardig. Slechts vier dagen tussen het vaststellen van de opdracht en het opleveren van de studie is onmogelijk. Vermoedelijk is de datum verkeerd genoteerd, of was de opdracht intern eerder verstrekt en pas later formeel bekrachtigd. Ook dat komt voor, en lijkt het geval want de studie zelf benoemd een kick-off op 1 april 2025.
Een interessante politieke dynamiek
Samenvattend vallen er een aantal zaken op in het proces dat heeft geleid tot de haalbaarheidsstudie naar een SMR in Opmeer:
- Het onderwerp kernenergie speelt al langer in de lokale politiek, maar werd pas met de vaststelling van de RES de bestuurlijke arena binnengebracht waar het aanvankelijk weinig steun kreeg.
- In relatief korte tijd, minder dan twee jaar, ontstond er echter brede politieke steun voor kernenergie in Opmeer, zó sterk zelfs dat expliciet werd besloten de uitvoering van de RES stil te leggen.
- Er is nauwelijks inhoudelijk over kernenergie gesproken. Het begrip fungeert vooral als alternatief voor zon en wind, en wordt (feitelijk onjuist) gepresenteerd als oplossing voor netcongestie.
- Er is geen structureel proces doorlopen. Er is geen enkel document te vinden waarin overwegingen verder zijn uitgewerkt, een kader is geschetst of een strategie beschreven wordt.
- Er zijn veel punten die niet onderbouwd zijn, maar dat wel zouden moeten zijn en er is slordig omgesprongen met feiten.
Kortom: Het proces dat heeft geleid tot de haalbaarheidsstudie is een schoolvoorbeeld van besluitvorming op basis van veel idee maar karige argumenten en een gebrek aan kennis. Het lijkt vooral het resultaat van een samenloop tussen de persoonlijke passie voor kernenergie bij enkele lokale politici en een breed gedeelde onwil om de RES uit te voeren.
2. Onderzoek gedreven door gewenst resultaat en gebrek aan kennis
En dat brengt mij naar het Haalbaarheidsonderzoek SMR Opmeer van 9 september 2025, de steen des aanstoots voor deze tekst. Het rapport is opgesteld door de Werkgroep SMR Opmeer voor het College van Burgemeester en Wethouders. De werkgroep bestond uit de Programmamanager Duurzaamheid (projectleider), een projectleider Duurzaamheid (warmtenet), een projectleider Ruimtelijke Ontwikkeling en een expert-begeleider van NucleoVision. Het rapport heeft vreemd genoeg nog steeds de kwalificatie confidentieel op elke pagina staan. De centrale vraagstelling voor het rapport was "wat voor SMR en deze hoe te realiseren?" Hieronder volg ik in mijn commentaar de structuur van de haalbaarheidsstudie.
0 - Doel en opzet project
Eerst een pagina met mooie foto’s van Opmeer als kleine, zelfstandige en vitale gemeente. Een beeld en tekst die zo uit een toeristenbrochure lijkt te komen. Daarna volgt een pagina over het groeiend aantal bewoners (12.468 in 2025) en bedrijven (1.870 in 2025), en vervolgens een over de ambitie voor een duurzame toekomst. Onder punt 3 en 4 (punten 1 en 2 ontbreken) staat beschreven dat Opmeer inzet op reductie van energieverbruik en regionale opwek, waarmee de gemeente klimaatbestendig zou worden. Klimaatbestendig is hier echter het verkeerde begrip. Vermoedelijk wordt klimaatneutraal bedoeld, maar ook dat is niet per se het resultaat van minder verbruiken en lokaal opwekken. Verder veel aandacht voor het behoud van het landschap, een terugkerend motief. Klimaatmitigatie, energieneutraliteit, klimaatadaptatie en duurzame opwek lopen in deze passage, waarin ook beleidskaders en eerdere stappen summier worden geschetst, volledig door elkaar. Niet altijd correct bovendien. Uit een lijstje met doelen voor de energietransitie in de marge komen opnieuw klimaatbestendig, landschap voor, en "zelfstandige gemeente". Dat laatste is een curieus doel in relatie tot de energietransitie.
Daarna volgen twee pagina’s over het zoeken naar locaties voor duurzame energieopwekking, met kaartjes uit de RES-regio en een tabel waaruit blijkt dat de gemeente in 2022 een verbruik had van 50 GWh. Niet bepaald een energie-intensieve gemeente. Vervolgens komt een overzicht van de doorvertaling van de RES-doelen naar Opmeer: een grotendeels helder verhaal, dat aan het einde echter stelt dat wind en zon geen voorkeur hebben. Met andere woorden: de doorvertaling van de RES blijkt in feite een omstandige manier om te zeggen dat de RES-doelen niet helemaal gewenst zijn. Zes pagina’s om te doen alsof een SMR logisch voortvloeit uit de kenmerken van de gemeente en de interpretatie van de RES. Dat doet het niet.
Daarop volgt een pagina over de warmtetransitie, waarin wordt gesuggereerd dat een SMR als warmtebron kan dienen, en een pagina met de vraag hoe een SMR kan bijdragen aan de regio, want dat "zou bij kunnen dragen aan een uitbreiding binnen de regio". Uitbreiding waarvan? Taalkundig even onduidelijk is de volgende pagina, over het vertalen van de uitdagingen naar doelen voor een SMR. Welke uitdagingen? De RES? Het mooie open landschap? Blijkbaar gaat het om het vertalen van onderzoeksvragen naar doelen van een SMR. Een merkwaardige volgorde en niet bepaald een sterke onderzoeksmethodiek. De doelen zijn:
- Primair doel Productie van elektriciteit voor Opmeer;
- Secundair doel (indien mogelijk) Productie van warmte voor Opmeer;
- Optie op termijn (bij bewezen succes) Productie van elektriciteit voor regio.
Op de volgende pagina volgen de wensen en eisen bij de doelen. Ik benoem een selectie, hier begint het gepruts:
- Voldoende vermogen voor de verwachte elektriciteitsvraag in 2050. Een formeel correcte vraag voor een haalbaarheidsonderzoek, maar met een verbruik van 50 GWh in 2022 en de intentie voor een warmtenet voor 90 % van de gebouwde omgeving (ook onrealistisch, daarover later meer), is het antwoord hierop direct positief. Het vermogen van een SMR begint immers bij zo’n 400 GWh per jaar. Op pagina 26 geeft het rapport zelf een schatting van benodigd vermogen van Opmeer net iets meer dan 100 GWh in 2050.
- Operationeel in 2035-2040. Alleen al de geplande aanleg van een 380 kV-verbinding in de provincie wordt niet verwacht vóór 2035, en dat proces is al drie jaar geleden gestart. Dream on.
- Geaccepteerd door inwoners. Als de afkeer van wind- en zonne-energie maar groot genoeg is, maak je zelfs een kans hierop maar het anti-kernenergie sentiment is snel te mobiliseren.
- Kosten maximaal € 80 / MWh. Beetje aan de lage kant in huidig internationaal vergelijk, maar ambities mogen er zijn.
- Toezicht op veiligheid, controle en governance vanuit gemeente en uitvoerbaar binnen ambtelijke capaciteit. De gemeente is niet bevoegd gezag voor toezicht op kerncentrales; dat is toch echt de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). En governance vanuit de gemeente, binnen de ambtelijke capaciteit? Ik kan me moeilijk voorstellen dat Opmeer een energieteam heeft met genoeg capaciteit om de huidige opgaven al aan te kunnen, dat heeft namelijk bijna geen enkele gemeente, laat staan met de ervaring (en bijbehorende salarisschalen, die hoger liggen dan die van de plaatselijke gemeentesecretaris) om dit aan te sturen.
Bij de beoogde effecten wordt Behoud van landschap genoemd. Heeft iemand van de auteurs wel eens gekeken naar de grootte van een SMR? Het gaat niet om een trafohuisje of een zeecontainer. Als je een zonneweide al te veel vindt, hoe kun je dan een SMR wél in het landschap passend vinden? Op dezelfde pagina wordt als optie op termijn ook genoemd dat "de gekozen locatie moet ruimte hebben voor opschaling met meerdere SMR-modules". Dat kan wel zonder het landschap aan te tasten?
1 - Energieopgave
Dit hoofdstuk in het rapport begint met een eenvoudige projectie van de verwachte ontwikkeling van het energieverbruik op basis van autonome groei tot 2050, en voorziet de eerder genoemde verdubbeling van 50 GWh naar 100 GWh per jaar. Daarna volgt een pagina waarin wordt gegoocheld met MWe, GWh en loadfactor, om, net als bij de eerdere vertaling van de RES-doelen, opnieuw op onnavolgbare wijze uit te komen op de zogenoemd logische conclusie dat een SMR een alternatief kan zijn. Echt, schrijf gewoon op dat de gemeenteraad geen zin heeft in de RES en per se een SMR wil, in plaats van pagina’s vol plaatjes, kaartjes en onnauwkeurige cijfers in verschillende eenheden om de schijn van logica te wekken.
Maar goed, verder in het rapport. Nu een pagina over de potentiële warmtevraag die een SMR zou moeten kunnen leveren voor een potentieel warmtenet waar 90 % van alle woningen en bedrijven op aangesloten zou moeten worden. Ambitieus, maar goed. Echter, geen woord over de consequenties van het niet onwaarschijnlijke scenario dat er nooit en te nimmer een collectief warmtenet komt in een landelijk gebied met verspreid liggende kleine dorpskernen. Het hele argument dat middels een SMR ook de warmtetransitie gerealiseerd kan worden is hierdoor waardeloos.
Niets tegen een SMR, en een gemeenteraad mag voor een SMR kiezen, maar zoals al bleek uit de eerdere besluitvorming, waar de SMR vooral een tegenargument was voor wind en zon en niet een onderwerp op zich, is de haalbaarheidsstudie tot op dit punt vooral een poging om het nut en de noodzaak van een SMR aan de RES te koppelen of logisch af te leiden van de RES. Een SMR is gewoon niet gerelateerd aan de RES, dus waarom dit gedraai?
En dan, een pagina verder, had ik het gevoel na heel veel overbodige tekst tot nu toe, ineens een paar pagina’s te missen. Er volgt namelijk een vertaling van doelen naar selectiecriteria voor de SMR, met allerlei informatie die niet als algemeen bekende kennis kan gelden en die ook niet eerder is toegelicht, zoals EAAS / DBOO als bedrijfsmodel. Dat wordt gelukkig wel in een voetnoot uitgelegd: "Bij voorkeur een bedrijfsmodel waarbij de SMR-vendor niet alleen de technologie levert, maar de SMR ook financiert en exploiteert: ‘Energy-as-a-service’ of ‘Design-Build-Own-Operate’." Hoe zich dat verhoudt tot de eis om de regie in eigen hand, zelfs binnen het ambtelijk apparaat, te behouden, is mij niet duidelijk.
Deze pagina bevat overigens meer merkwaardigheden. Zo wordt "Locatie bij voorkeur binnen RES-zoekgebieden" als selectiecriterium genoemd. Hou nu toch eens op met die RES in dit rapport, en vooral: doe niet alsof de uiterst vage criteria voor RES-zoekgebieden ook maar iets te maken hebben met de locatievereisten voor een SMR. Een SMR en een zonneweide of windturbine kennen volledig andere ruimtelijke inpassingsvraagstukken. Ook wordt de maximale hoogte gesteld op 16 meter, omdat dat de maximale hoogte is op industrieterrein De Veken. Wat heeft de locatie van de SMR te maken met dat industrieterrein en het daar geldende omgevingsplan? Onder het latere kopje locatie wordt in de haalbaarheidsstudie juist een minimale afstand van bedrijfsterreinen als vereiste genoemd, om dan ook een kaart te laten zien met mogelijke locaties waarvan er geen op of naast het genoemde bedrijfsterrein is.
2 - Technologie
Voor dit hoofdstuk zal ik mij inhouden met inhoudelijke kritiek, want technologie, zeker nucleaire technologie, is niet mijn kennisgebied. Het begint met een pagina waarin wordt uitgelegd dat er 127 SMR-concepten bestaan, waarvan 74 in actieve ontwikkeling. De volgende pagina gaat in op verschillende doelstellingen, met vrij technische grafieken, en weer een pagina verder worden de 15 kansrijke concepten voor Nederland in 2035-2040 gepresenteerd zonder enige uitleg waarom juist deze 15 zijn geselecteerd uit de 74 of 127. Hoe een gemeenteraadslid, met waarschijnlijk nog minder voorkennis dan ik, hier iets van moet maken, is mij een raadsel.
Gelukkig volgt een pagina later een overzichtelijke selectie van de 12 micro-SMR’s, waarbij wél de selectiecriteria worden genoemd waaraan twee van de twaalf voldoen (de eVinci van Westinghouse en de PWR-20 van Last Energy): Een ideale SMR is van generatie III (bewezen technologie) met maximaal 80 MWth thermisch vermogen (20-25 MWe) door een gevestigde organisatie, waarvoor reeds een First-of-a-Kind-project loopt. De daaropvolgende pagina reduceert de selectie tot de PWR-20, met in een voetnoot goed verstopt dat "de vergunbaarheid van de PWR-20 op dit moment niet bekend is; ook lijken de planning voor realisatie en de kostenschattingen van Last Energy optimistisch."
En dan, een pagina verder, komt het punt dat in de publieke communicatie de koppen domineerde:
Echter, de CEO geeft aan dat Last Energy de komende jaren geen ‘bandwidth’ heeft om in Nederland een reactor te realiseren; de prioriteit ligt momenteel bij projecten in de VS en het Verenigd Koninkrijk
3 - Locatie
In dit hoofdstuk gaat de haalbaarheidsstudie in op de locatie eisen voor een SMR. Het begint al direct met een erg naïeve aanname: dat een micro-SMR slechts 2–3 hectare nodig heeft. Dat kan kloppen voor het daadwerkelijke oppervlak van de installatie, maar als zelfs rond een hoogspanningsstation al een grote veiligheidszone moet worden vrijgehouden, wat voor een SMR waarschijnlijk nog ruimer zal zijn, ligt het totale ruimtebeslag eerder richting 10 hectare gaan indien niet meer. Verder wordt als eis gesteld dat een aansluiting op het 150 kV-net mogelijk moet zijn en dat de locatie, vanwege warmteonttrekking voor het warmtenet, niet verder dan 2 kilometer van de grotere dorpskernen mag liggen. Ook hier wordt opnieuw de voorkeur uitgesproken voor een locatie in de RES-zoekgebieden. De RES is echt een obsessie van de auteurs.
Ook wordt hier al vermeld dat er een voorkeur is voor grond van de gemeente. De reden daarvoor, twee pagina’s verder uitgewerkt, is bevreemdend: "dit geeft meer mogelijkheden voor toezicht en invloed op beleid en levering naar inwoners." Springen we gelijk naar die pagina, een van de dieptepunten van de haalbaarheidsstudie. Er wordt een vergelijking gemaakt van voor- en nadelen tussen een SMR op gemeentegrond en op particuliere grond. Ik heb deze pagina gedeeld met enkele ervaren collega’s in de energietransitie omdat ik dacht dat ik het gewoon niet begreep. Helaas voor de opstellers van de studie lijkt het inderdaad te kloppen dat ik het niet begrijp, want wat hier staat, is nonsens en grenst aan het absurde.
Wat heeft grondbezit te maken met de mate van toezicht of zeggenschap over energieproductie, afzet (inclusief levering aan inwoners), prijzen of eventueel het warmtenet, laat staan met de geschiktheid voor een gemeentelijk energiebedrijf? Geen van deze argumenten hangt samen met de grondpositie. Zeggenschap over productie, afzet en prijzen heeft de gemeente sowieso niet. Waarom hoeft de gemeente geen rol te nemen in de projectrealisatie en financiering als de SMR op private grond komt, maar wél als die op gemeentegrond staat, zeker als toch al de voorkeur wordt gegeven aan EAAS / DBOO als bedrijfsmodel? Waarom zou een gemeentelijke grondpositie een voordeel zijn om "de SMR onder te brengen in een coöperatie of gemeentelijk energiebedrijf, met directe invloed op eisen, zeggenschap en bedrijfsvoering?" Waarom is onderhandelen met een private grondeigenaar een noemenswaardig nadeel in een project waarbij grondverwerving financieel nauwelijks een rol speelt? En, oh nee, alweer de RES: "Voor beide geldt: een terrein binnen de RES-zoekgebieden biedt het voordeel dat de omgevingsvisies van provincie en gemeente al in energieproductie (zullen gaan) voorzien." Weer een schijnargument. Zeker met een raad die vol inzet op kernenergie is een aanpassing van het omgevingsplan geen lastige klus.
Dan volgt een pagina met een erg summiere redenering dat aansluiting op het 150 kV-net mogelijk is, ondanks netcongestie. Die neem ik hieronder volledig over (en uit elkaar):
- "De meeste SMR’s vereisen aansluiting op het middenspanningsnet (150 kV)." Er zijn nog geen SMR’s in Nederland, en afhankelijk van locatie en vermogen is dit allerminst vanzelfsprekend.
- "Aansluiting op tussenstation duurt 7 jaar vanwege de wachtlijst, echter als de aanvraag vóór 2028 wordt gedaan, dan is dat op tijd voor 2035." Hier wordt de gemiddelde doorlooptijd verward met de locatie-specifieke doorlooptijd, en aangenomen dat er in 2028, dus over amper twee jaar, een aanvraag kan worden ingediend met een exacte locatie en een goed onderbouwde transportcapaciteit. Dream on.
- "Verwachting is dat netcongestie in 2036 is opgelost." Welke netcongestie? Die op het 150 kV-net waar de SMR op zou moeten aansluiten? Het 380 kV-transmissienet in de regio zit ook volledig op slot; daarom werkt TenneT aan de nieuwe 380 kV-NNHN-verbinding met een realisatiedatum tussen 2035 en 2038. Een verbinding waartegen West-Friesland stevige oppositie heeft gevoerd.
- "Verdere opschaling is mogelijk." Een bewering zonder enige onderbouwing.
- "Een SMR als basislast, met eventueel regelbaar vermogen, zal mogelijk voorrang krijgen als ‘congestieverzachter’." Maar twee punten hierboven is toch gesteld dat netcongestie in 2036 is opgelost? Alleen snel regelbaar vermogen kan als congestieverzachter fungeren; “eventueel regelbaar vermogen” zeker niet. En voorrang betekent overigens niet automatisch een aansluiting, slechts een hogere plek op de wachtlijst.
Vervolgens komt de studie weer uit bij het warmtenet. Waarom in het hoofdstuk locatie is niet helemaal duidelijk. Er wordt een overzicht gegeven van wat er nodig is en een inschatting van de haalbaarheid. Daaruit blijkt overduidelijk dat er geen enkele partij is die werkelijk interesse heeft in de realisatie van een warmtenet.
En dan de mooiste zin in het hele haalbaarheidsonderzoek: "te onderzoeken valt of het bestaande gasnet kan worden gebruikt" voor warmtetransport. Nee hoor, dat hoeft niet onderzocht te worden, net zo min als dat onderzocht moet worden of de bestaande fietspaden warmte kunnen transporteren. Na het vreemde betoog over grondposities en energieprijzen enkele pagina’s eerder was deze zin voor mij de aanleiding om bij de eerste lezing van de studie te stoppen met lezen, totdat mijn fascinatie voor de absurditeiten de overhand kreeg en ik toch verder gelezen heb.
4 - Vergunningen
Dit hoofdstuk heeft 6 pagina's met stroomschema's over de diverse vergunningen en bijbehorende processen die komen kijken bij een SMR. Vergunningen zijn niet mijn expertise dus beperk ik mijn opmerkingen met betrekking tot dit hoofdstuk op de algemene indruk dat alles wel erg positief weergegeven wordt en een totale doorlooptijd van 4-5 jaar erg snel lijkt. Ook mis ik hier woorden als omgevingsmanagement, participatie, bezwaar, zienswijzen, etc.
5 - Implementatie
Dit hoofdstuk begint met een pagina waarop op hoofdlijnen de te nemen stappen naar realisatie van een SMR zijn weergegeven. Daarna volgen twee pagina’s waarin twee varianten worden uitgewerkt:
- In model 1 zet de SMR-vendor de projectorganisatie op. Model 1 is van toepassing wanneer de SMR-vendor optreedt als energieleverancier en zowel de realisatie als de exploitatie leidt.
- In model 2 is een alliantie (met o.a. EPZ) logisch. Model 2 geldt wanneer wordt gewerkt met een SMR-vendor die uitsluitend de technologie levert.
Afgezien van de lastig leesbare visualisaties en de vele vraagtekens in de lijst met aandachtspunten voor de projectorganisatie, lijken deze twee scenario’s op zichzelf redelijk gekozen. Helaas vindt er geen afweging plaats van de voor- en nadelen van beide modellen ten opzichte van elkaar. Opmerkelijk is dat in beide modellen wordt gesproken over verkoop van de grond indien deze in gemeentebezit is, terwijl juist het in bezit hebben van de grond, om onnavolgbare redenen, in hoofdstuk 3 nog als belangrijk voordeel werd gezien. Een pagina later, waar het gaat om de functies van de projectorganisatie, volgt alweer een tegenstrijdigheid: "De projectorganisatie zal worden gevormd door mensen van de vendor en andere partners; ook is het aannemelijk dat de gemeente mensen detacheert." Bij het doel van het project (hoofdstuk 0) was nog het uitgangspunt dat de gemeente zelf de governance doet en dat binnen het bestaande ambtelijke apparaat.
Vervolgens wordt een Gantt-chart gepresenteerd waaruit blijkt dat bij een start in 2026 de realisatie tussen 2035 en 2040 haalbaar zou zijn. Dat blijft erg ambitieus. Weliswaar is er bijvoorbeeld rekening gehouden met een mogelijk bezwaar bij de Raad van State, maar de realisatiefase wordt desondanks al parallel daaraan vol ingezet, een risico dat hier lichtzinnig wordt gepresenteerd.
Daarna volgt een pagina over wie na de oplevering eigenaar of exploitant van de reactor kan worden. Een interessante vraag, en nog interessanter dat hier een energiegemeenschap of energiecoöperatie als serieuze mogelijkheid wordt genoemd. In de praktijk blijkt het nu al nauwelijks mogelijk om gedeeltelijk lokaal eigenaarschap van windturbines of zonneweides te realiseren. Hoe realistisch dit is voor een SMR betwijfel ik, al is het idee sympathiek. Helaas bevat ook deze pagina weer een suggestie die niet mogelijk is, namelijk dat de gemeente via deelname aan een energiecoöperatie de beschikbaarheid, het vermogen en de prijzen van de energieproductie zou kunnen vaststellen.
De laatste pagina in dit hoofdstuk benoemt de bestaande reactor in Petten en de plannen voor SMR’s in Den Helder als mogelijke partners. Voor mij als leek op het gebied van nucleaire kennis en technologie is de meerwaarde hiervan niet direct duidelijk, zeker niet wat betreft Pallas in Petten, een reactor voor medische isotopen zonder enige rol in het energiesysteem.
6 - Financiering
Uitgangspunt is een kostprijs van €80 per MWh. Dit hoofdstuk opent met een fictief kostenscenario waaruit zou blijken dat, als de totale CAPEX van een SMR niet hoger is dan € 100 miljoen, deze prijs haalbaar is. Er wordt echter niet aangegeven wat de gevoeligheid van deze berekening is, wat wel cruciaal is, aangezien de CAPEX van de geprefereerde PWR-20-reactor wordt geschat op € 100–150 miljoen, en die schattingen in hoofdstuk 2 nog als erg optimistisch werden genoemd werd.
Opmerkelijk is bovendien dat de kosten voor ontmanteling worden geraamd op 30–50 % van de nieuwbouwprijs, die zelf op € 90 miljoen wordt berekend. Dat zou dus neerkomen op € 30–45 miljoen. Toch is in de kostenlijst slechts € 1 miljoen gereserveerd voor het ontmantelingsfonds. Kortom, het kostenscenario wekt sterk de indruk dat met de meest gunstige cijfers en erg positieve aannames in de LCOE-berekening naar de “gewenste” kostprijs is toegerekend.
De volgende pagina bespreekt mogelijke medefinanciering door de gemeente. Er zijn ongetwijfeld argumenten voor en tegen verschillende vormen van financiële deelname die hier kort door de bocht zonder uitleg genoemd worden, maar gezien de totale gemeentebegroting van nog geen € 50 miljoen in 2025 zal de bijdrage altijd marginaal zijn. Het uit die deelname afleiden van significante invloed is dan ook niet realistisch.
De laatste pagina bevat een lijst met risico’s voor het project. Of beter gezegd: een onvolledige lijst van voorbeelden van risico’s, van allerlei aard door elkaar. Niet zozeer de lijst zelf is het probleem, maar het feit dat voor een haalbaarheidsonderzoek naar de eerste SMR in Nederland een diepere en gestructureerde risicoanalyse verwacht mocht worden. Mitigerende maatregelen of consequenties worden niet eens benoemd.
7 - Meerwaarde Opmeer
De laatste twee pagina’s van het rapport zijn opnieuw een feest van fouten en verwarring. Onder de titel "Een SMR is bedoeld voor de inwoners" volgen vier argumenten die leiden tot de conclusie dat "Een SMR in Opmeer kan een positieve uitwerking hebben voor de inwoners":
- Energiezekerheid. Bijdrage aan betrouwbare productie en levering van elektriciteit (SMR draait 24/7, is regelbaar, helpt lokale netcongestie te voorkomen, opwek en distributie vinden plaats binnen hetzelfde middenspanningsnet) en Betaalbare elektriciteit: lage, zekere elektriciteitsprijs (streefprijs € 0,08 /kWh) en eventuele winstdeling (in geval van energiegemeenschap). Betrouwbaar en regelbaar, dat klopt. Winstdeling is ook niet uit te sluiten. Maar hoe een SMR zou helpen lokale netcongestie te voorkomen, is mij een raadsel. Die redenering lijkt voort te komen uit het veelgehoorde misverstand dat netcongestie een tekort aan elektriciteit is, terwijl het in werkelijkheid een administratief tekort aan transportcapaciteit betreft. Opwek door een SMR en de distributie daarvan zijn zeker niet beperkt tot hetzelfde (laat staan één) middenspanningsnet. Er is bovendien geen enkele directe relatie tussen een SMR en een lage, stabiele energieprijs voor inwoners of bedrijven in Opmeer.
- Voorziet in noodzakelijke energietransitie. “Voorziet in” is de verkeerde woordkeuze, maar bijdragen aan doet het zeker, net als windturbines en zonneweides.
- Met behoud van landschap; geen extra windmolens en zonneweides. Alsof een SMR géén invloed op het landschap heeft, laat staan meerdere. Het lijkt hier te gaan om een keuze tussen verschillende vormen van landschappelijke impact, maar de tekst doet opnieuw alsof de RES het landschap vernietigt en een SMR onzichtbaar kan worden ingepast.
- Een SMR is zeer veilig, het afval wordt volgens strikte regels opgeslagen bij COVRA. Dit zijn eigenlijk twee losse argumenten, maar goed, we laten het zoals het er staat. Het klopt dat een SMR als veilig wordt beschouwd, maar hoe dat nu een argument zou zijn dat een SMR een positieve uitwerking heeft op de inwoners, ontgaat me. We bouwen iets dat niet onveilig is, dus is dat een vooruitgang? Zoals al vaker opgemerkt, worden in dit rapport alle denkbare argumenten vóór een SMR in Opmeer erbij gehaald ongeacht plausibiliteit of relevantie.
De laatste pagina bevat dan de toekomstvisie van Opmeer. Niet als context, zoals op de eerste pagina van hoofdstuk 0, maar als conclusie echter zonder enige toelichting of verbinding met de voorgaande inhoud.
Bijlagen
Bijlage 1: Bronnen. Enkele titelpagina’s van vijf rapporten. Een middelbare-schoolwerkstuk heeft meer bronnen en verzorgt de referenties beter.
Bijlage 2: Over de begeleider – Titus Tielens (NucleoVision). Een consultant met een relevant profiel voor SMR’s, maar gezien een MBA van INSEAD en ervaring bij McKinsey, Avery Dennison en Booz & Company had je een strakkere, beter gepresenteerde haalbaarheidsstudie mogen verwachten.
Bijlage 3: Profiel PWR-20. Interessant, met duidelijke afbeeldingen die ook in de hoofdtekst niet hadden misstaan. Helaas opnieuw de RES-obsessie: "Als de PWR-20 rond 2034 operationeel wordt, dan kan deze vanaf dat moment alle elektriciteit voor Opmeer leveren. Het overschot kan via het net aan gemeenten of grote klanten in de regio worden geleverd – dit kan de regio helpen om aan de RES-opgave te voldoen". Nogmaals: de RES-doelstellingen gaan over opwek door wind en zon. Verder een profiel van Last Energy, ogenschijnlijk één op één overgenomen uit een verkooppresentatie, en een grafiek uit de OECD NEA SMR Database waaruit blijkt dat de voortgang van deze SMR nog beperkt is. Niet verrassend dat dit in de hoofdtekst ontbreekt.
Bijlage 4: Profiel eVinci. Zelfde opzet en kanttekeningen als bijlage 3.
Concluderend
De haalbaarheidsstudie naar een SMR in Opmeer vertoont structurele tekortkomingen die de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van het rapport ernstig beperken. Het onderzoek lijkt primair gestuurd door de wens om een positief oordeel over een SMR te onderbouwen, in plaats van de haalbaarheid objectief te toetsen. Er is een duidelijk gebrek aan expertise op het vlak van energietransitie en energiesystemen en de rol en mogelijkheden van gemeenten in deze, wat zich uit in verkeerde aannames, onjuiste begrippen en verwarring. Er staat nog geen enkele SMR in Nederland. Het is daarom niet onredelijk om de lat hoog te leggen wat betreft besluitvorming en onderzoek voor wat was voorzien als de eerste SMR. De besluitvorming en het onderzoek in dit geval voldoen niet eens aan de basale kwaliteitsverwachtingen.
"Vanaf het jaar 2021 na Christus wordt de hele polder volgeplempt met windturbines en zonneweiden… De hele polder? Nee! Een klein dorp, bewoond door onverzettelijke Westfriesen, blijft dapper weerstand bieden aan de RES."
Maar wat nu? De uitvoering van de RES is de-facto in Opmeer gestopt en er is geen initiatiefnemer voor een SMR, nog maar afgezien van de haalbaarheid van een SMR want dat blijkt niet uit de haalbaarheidsstudie. Er is ook niets te vinden over volgende stappen van de gemeente. Cynisch, maar misschien heeft de gemeenteraad van Opmeer hiermee wel gekregen wat ze eigenlijk willen: Geen windenergie, geen zonne-energie, geen SMR. Gewoon die lastige energietransitie aan de Westfriese dorpen voorbij laten gaan; laat de anderen het maar opknappen.